Revolutie in het stakingsrecht: HR zwiept spelregels van tafel

door:
Wat begon met een protest door zorgmedewerkers van Stichting Amsta en de vakbonden, resulteerde erin dat de Hoge Raad van een vaste jurisprudentielijn afweek en de zogeheten spelregels bij een staking hun gewicht ontnam. Wat was er precies aan de hand, hoe zat het ook alweer met dat stakingsrecht en waarom week de Hoge Raad van eerdere jurisprudentie af?

In den beginne: het NS-arrest
Staking is in Nederland nergens in de wet geregeld, met uitzondering van een korte bepaling over uitzendkrachten in de WAADI. De regels omtrent het neerleggen van het werk en het aantrekken van een fluorescerend vakbondshesje halen we dus vooral uit de jurisprudentie. Het begon allemaal met het welbekende NS-arrest uit 1986 (NJ 1986, 688), waarbij de Hoge Raad staken toestond in Nederland op grond van artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest. Dat artikel luidt als volgt:

“(...) the right of workers and employers to collective action in cases of conflicts of interest, including the right to strike, subject to obligations that might arise out of collective agreements previously entered into.”

De Hoge Raad oordeelde dat dit artikel rechtstreekse werking had in Nederland en dat in casu de staking rechtmatig was, omdat zij werd gedekt door het ESH. Het moet hierbij wel gaan om belangengeschillen: een puur politieke kwestie of iets waarvoor een werknemer gewoon naar de rechter kan stappen, zoals de loonvordering van de V&D-werknemers, valt niet onder de dekking van het ESH. Overigens moet een kwestie niet te snel als politiek worden aangemerkt: in het arrest over de AOW-staking werd geoordeeld dat de verhoging van de AOW-leeftijd zodanig aan de onderhandelingspositie van de vakbonden raakte, dat ook dit mocht worden gezien als een belangengeschil.

Terug naar het NS-arrest. De Hoge Raad formuleerde nog enkele omstandigheden waardoor een staking alsnog onrechtmatig kan worden, ook al is zij gedekt door artikel 6 lid 4 ESH.
Ten eerste is er artikel G ESH. Een staking kan alsnog onrechtmatig zijn, als de schade bij derden te groot is. Op grond van dit artikel kan een staking dus alsnog beperkt of verboden worden. Een voorbeeld is de staking bij AkzoNobel, die door de rechter werd gematigd. Bij een volledige staking zou het gevaar voor het milieu en de volksgezondheid te hoog worden. De rechter wilde dan weer geen onevenredige inbreuk op de belangen van derden aannemen bij de recente staking bij Brinks, omdat door het niet vullen van geldautomaten de veiligheid niet in het geding kwam en de samenleving niet werd ontwricht.

Spelregels
Naast artikel G, heeft de Nederlandse rechtspraak de zogenaamde ‘spelregels’ ontwikkeld in de jurisprudentie. Op grond van deze spelregels kunnen stakingen ook onrechtmatig worden verklaard. Het betreft hier de aanzegplicht en het ultimum remedium-beginsel.

De aanzegplicht houdt in dat een staking of collectieve actie van tevoren moet worden aangekondigd aan de werkgever. Dit dient een tweeledig doel: de werkgever moet maatregelen kunnen nemen om schade bij derden, zoals leveranciers, in te perken en hij moet de tijd krijgen om alsnog aan de eisen van de vakbond te voldoen. Het verschilt per geval wanneer de aanzegging als tijdig kan worden aangemerkt, maar een paar dagen van tevoren is in ieder geval voldoende. Als er herhaald wordt gestaakt, hoeft niet iedere actie opnieuw te worden aangezegd.

Het ultimum remedium-beginsel houdt in dat een staking een laatste strohalm moet zijn waar de vakbonden en werknemers zich aan vastklampen. Staken op de eerste dag van collectieve onderhandelingen is dus niet zo netjes: er moet eerst uitgebreid zijn onderhandeld, gediscussieerd, gepleit, gezweet, met papieren zijn gesmeten et cetera voordat de werknemers hun spandoeken kunnen gaan optuigen. De Hoge Raad hangt vooral zwaar aan deze eis in het Douwe Egberts-arrest
De redenen die de Hoge Raad in dit arrest gaf voor het handhaven van de ultimum remedium-toets zijn drieledig, maar niet erg sterk. Ten eerste wordt steun gezocht bij de totstandkomingsgeschiedenis van het ESH, die echter meer dan 50 jaar oud is. Ten tweede wordt gekeken naar de opbouw van artikel 6 ESH, waarbij het van collectief overleg (lid 1) naar staking (lid 4) gaat. Dit lijkt ook een gezocht argument. Als laatste haalt de Hoge Raad de ontwerpen voor stakingswetgeving in de jaren ‘60 aan. Die wet is echter verworpen en ook tientallen jaren oud, waardoor ook dit argument niet erg steekhoudend is. Toch is de ultimum remedium-eis altijd aanwezig gebleven in het Nederlandse stakingsrecht.

Kritiek
Het Comité bij het ESH heeft echter zijn bedenkingen over de Nederlandse spelregels. Herhaaldelijk is ons land erop gewezen dat de enige manier waarop een staking verboden kan worden, die van artikel G ESH is. Andere regels zijn niet toegestaan:

“The Committee notes that the Dutch courts have recourse to the criterion of proportionality and as the courts further have the power to determine whether a strike is premature they are led to pass judgment on whether a strike is appropriate and lawful. The Committee considers that the judicial practices concerned by their nature restrict the right to strike and that they go beyond the restrictions admissible under Article 31 of the Charter. (...)
Conclusion: The Committee concludes that the situation in the Netherlands is not in conformity with Article 6 because the restriction on the right to strike go beyond those permitted under Article 31 of the Charter.

Tot nu toe zijn de spelregels echter vrolijk gehandhaafd. Een vreemde situatie, als je bedenkt dat de Hoge Raad zegt groot gewicht toe te kennen aan wat het Comité zegt en het Comité als gezaghebbend aanmerkt.

De deur op een kier: het Enerco-arrest
Maar er gloort hoop aan de horizon! In 2014 wees de Hoge Raad het Enerco-arrest, waarin de spelregels niet eens ter sprake komen. Het ging om het Amsterdamse havenbedrijf Rietlanden, dat geen cao wilde afsluiten voor haar werknemers. De werknemers hadden al stakingen geprobeerd, maar de werkgever was niet te vermurwen.

De werknemers staakten vervolgens na het voor de helft lossen van een kolenschip, de Evgenia. Ze weigerden het schip verder te lossen, en, nog belangrijker, vroegen andere bedrijven zich solidair te verklaren met de actie. Het schip zou dus niet gelost kunnen worden bij andere bedrijven of in andere havens. De oproep van de vakbond tot ‘besmetverklaring’ van het schip kreeg ruim gehoor, waardoor het bedrijf Enerco niet over de kolen kon beschikken. Enerco stapte daarop naar de rechter.

De Hoge Raad kijkt eerst of zo’n besmetverklaring wel onder de collectieve acties van artikel 6 lid 4 ESH valt. En dat kan: het staat de vakbond in principe vrij om haar actiemiddelen te kiezen, als die maar kunnen bijdragen aan het actiedoel. Het is al genoeg als een derde zoals Enerco ‘geprikkeld’ kan worden om druk uit te oefenen op Rietlanden.

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat zo’n doeltreffende actie slechts kan worden beperkt door artikel G ESH. De spelregels worden in het geheel niet meer genoemd. Het is dus goed verdedigbaar dat die regels volgens de Hoge Raad niet meer gelden, al wordt dat niet expliciet gezegd.

Stichting Amsta
Keren we nu terug naar de zaak waar dit artikel mee begon: de staking bij Stichting Amsta.  Daarin liet de Hoge Raad zich wél expliciet uit over de spelregels.

De zaak verliep als volgt. Zorginstelling Amsta voerde overleg met de bonden over arbeidsvoorwaarden, maar dit had niet het gewenste resultaat. Daarom organiseerde de vakbond een ‘demonstratieve staking’ van het Dr. Sarphatihuis in Amsterdam, een locatie van Amsta. Leidinggevenden werden niet binnengelaten, het personeel zwaaide met vlaggen en zong liedjes. Overigens werden familieleden wel bij de patiënten in het huis gelaten, gingen activiteiten voor de bewoners door en stonden veel bewoners ook achter de actie.
Amsta stapte naar de rechter en kreeg gelijk van de rechtbank en het hof: zij kwalificeerden de staking als een bedrijfsbezetting, die per definitie onrechtmatig is. Het hof oordeelt ook dat niet aan de aanzegeis en het ultimum remedium-beginsel is voldaan. In cassatie liep het echter anders.

De uitspraak van de Hoge Raad
De Hoge Raad kijkt eerst naar de Enerco-uitspraak en oordeelt dat de ‘demonstratieve staking’ ook onder artikel 6 lid 4 ESH valt. Van belang is immers of het actiedoel kan worden bereikt door de collectieve actie. Als de actie gedekt is, kan die slechts worden beperkt door artikel G ESH.

En dan komt het, in rechtsoverweging 3.3.3:

“In de overwegingen van dit arrest over het stelsel van de art. 6 en G ESH en de verhouding tussen deze bepalingen ligt besloten dat de ‘spelregels’ niet langer een zelfstandige maatstaf zijn om te beoordelen of een collectieve actie rechtmatig is. De naleving daarvan is dus niet langer een zelfstandige voorwaarde voor die rechtmatigheid.”

De spelregels worden niet helemaal overboord gegooid: ze kunnen wel meewegen bij de toetsing aan artikel G ESH. Hun belang is niet altijd even groot: de Hoge Raad meent dat ze zwaarder kunnen wegen bij een grote werkstaking, maar minder bij een ‘prikactie’ van korte duur waardoor weinig schade ontstaat.

Kortom: exit spelregels. Collectieve acties kunnen alleen worden beperkt door artikel G ESH, en niet door zelfverzonnen jurisprudentieregels. Het Comité bij het ESH kan eindelijk trots zijn op onze Hoge Raad, en werknemers en vakbonden kunnen voortaan sneller naar hun hesjes, megafoons, vlaggen, vuvuzela’s en spandoeken grijpen! 


Tags

werkgever werknemer hoge raad jurisprudentie stakingsrecht aanzegplicht Amsta staking collectieve actie vakbond bedrijfsbezetting spelregels ultimum remedium aanzegeis Europees Sociaal Handvest ESH collectieve onderhandelingen

Discussie