Opgeslagen!
opgeslagen artikelen
0

Symposium: de strafrechtelijke aanpak van jihadisten

Strafrecht

Snoes den Hartog - Op woensdagavond 22 maart vond het symposium over de strafrechtelijke aanpak van jihadisten plaats, georganiseerd door het Strafrechtelijk Dispuut Wichmann. De verschillende visies op het aanpakken van jihadisme werd deze avond geschetst door een landelijke officier terrorismebestrijding (Bart den Hartigh), een rechter (Miranda Koevoets) en een advocaat (André Seebregts). De avond wordt geopend door mr. dr. Jolande uit Beijerse, universitair hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij noemt het strafrecht geen oplossing voor terrorisme, maar wel een middel ter voorkoming ervan. Juist in deze tijd is strafrechtelijke wetgeving noodzakelijk, omdat het onderwerp helaas erg actueel is.

Wat is jihadisme precies?

Het begrip jihadisme is niet zo negatief als de term in eerste aanleg doet vermoeden. Jihadisme is de zware, onzelfzuchtige inspanning voor het geloof. Derhalve kent het een positieve betekenis in de islam. Binnen het jihadisme wordt een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine jihad. Grote jihad betekent dat er gestreden wordt tegen het eigen ego, de begeerte of behoefte, terwijl kleine jihad duidt op het voeren van de Heilige oorlog. Hierbinnen bestaat de stroming salafisme, die op haar beurt wordt onderverdeeld tussen niet-politieke, politieke en jihadi-salafisme. Laatstgenoemde is het probleem wat wij in de volksmond ‘jihadisme’ noemen. Jihadi-salafisme richt zich namelijk op gewelddadigheid teneinde een IS-kalifaat uit te roepen. Dit hebben we onder andere zien gebeuren in Irak.

Het voorkomen van terrorisme

Bart den Hartigh, landelijk officier terrorismebestrijding in Rotterdam, neemt het stokje over. Hij is werkzaam bij het Openbaar Ministerie, maar is tevens te vinden bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Zijn functie is immers de brug tussen de veiligheidsdienst en de opsporing. Den Hartigh begint zijn verhaal met het uitleggen van de ideologie van jihadisten: het verdedigen van de Oemma, het stichten van een kalifaat, sektarisch geweld en Al Malhamat als historische gebeurtenis. Echter geloven niet alle jihadisten in de genoemde ideologie en daarom noemt Den Hartigh het jihadisme islam voor dummies.

Sinds 2013 is er een substantiële dreiging in Nederland wat een terroristische aanslag betreft. Volgens Den Hartigh is het ‘wachten tot het gebeurt’. Om te voorkomen dat een aanslag ook daadwerkelijk plaatsvindt, worden strafrechtelijke bevoegdheden ingezet. Hierbij dient gedacht te worden aan het tegenhouden van mensen, het inzetten van dwangmiddelen, toezicht houden, telefoontaps en tijdelijke opsluiting. Daarnaast is in 2014 het actieprogramma ‘integrale aanpak van jihadisme’ gestart. Dit is gericht op het bestrijden en verzwakken van de jihadistische beweging in Nederland en het tegengaan van de radicalisering.

Wat doet een landelijk officier terrorismebestrijding eigenlijk? Den Hartigh vertelt dat er voornamelijk onderzoek wordt gedaan naar ronselaars ter voorkoming van aanslagen. Maar belangrijker: wanneer grijp je in? Soms is er nog onvoldoende bewijs bij de voorbereiding van een terroristische aanslag, waardoor een te vroeg ingrijpen geriskeerd wordt. De officier geeft aan dat dit op zich niet erg is, omdat er alsnog iets voorkomen wordt. Toch is hier geen zekerheid over.

Er wordt strafrechtelijk onderzoek gedaan naar personen die momenteel in Syrië en dergelijke landen vechten. Zo’n onderzoek wordt gedaan om zo veel mogelijk informatie te winnen en wellicht bepaalde personen strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Moeten we wachten tot jihadisten terugkeren naar Nederland of mogen we ze al eerder, bijvoorbeeld in Syrië, vervolgen voor de strafbare feiten die zij daar begaan? Deze vraag wordt door Den Hartigh beantwoord met: “personen kunnen afscheid nemen van de rechtsstaat, maar de rechtsstaat neemt geen afscheid van dergelijke personen”.

Dilemma’s in opsporing en vervolging

De heer Den Hartigh schetst de dilemma’s in opsporing en vervolging aan de hand van de twee volgende casus.

Een afbeelding toont twee jongens die in 2014 in Duitsland zijn opgepakt. Zij waren onderweg naar Syrië vanuit Arnhem met onder andere gasmaskers en bivakmutsen. Rechtbank Rotterdam heeft de jongens vrijgesproken, omdat zij ervan overtuigd waren dat de verdachten niet zelf van plan waren om te vechten in Syrië, maar de spullen ‘slechts’ vervoerden naar een broer die daar vocht. Het Openbaar Ministerie ging in appel, waarbij het Hof bewezen achtte dat verdachten op weg waren naar Syrië wegens IS. Zij werden echter vrijgesproken van voorbereiding van moord, omdat het onvoldoende duidelijk was wie er vermoord zou worden, waar dit plaats zou vinden en wanneer. Ook dit vond het Openbaar Ministerie niet voldoende bevredigend en hij ging in cassatie. De Hoge Raad heeft besloten dat het Hof onjuist geoordeeld heeft, omdat er gekeken moet worden naar voldoende concreetheid. Het dilemma wat ontstond na deze zaak is dat vele rechtbanken in soortgelijke gevallen de uitspraak van het Hof overnamen.

In 2015 werd een ambtsbericht uitgevaardigd door het AIVD met betrekking tot een illegale man in Amsterdam. Deze man had de intentie tot het plegen van een aanslag op politie- en defensiemensen. Het was onduidelijk of meneer in het bezit was van een wapen. Een vraag die dan een belangrijke rol speelt voor de AIVD en het Openbaar Ministerie is of er onderzoek gedaan moet worden. Dit vormt namelijk een risico, omdat het zo kan zijn dat de man al in het bezit van een wapen is en dus gevaar oplevert. Derhalve is er besloten om de man meteen aan te houden en zijn huis te observeren. In het huis van de verdachte is een notitieboekje gevonden waarin een ‘recept’ stond om een zogenaamde croftybom te maken. Daarnaast bevond zich op zijn laptop chatverkeer ter verzameling van informatie hoe een bom gemaakt moest worden en hoe je een aanslag kunt plegen. Ook werd er schriftelijk een eed van trouw aan IS afgelegd en had de verdachte via social media zijn voornemen om uit te reizen kenbaar gemaakt. Zijn de aantekeningen en communicatie voldoende om voorbereiding van een aanslag aan te nemen? De verdediging noemde de verdachte een fantast. Hij sloeg slechts stoere taal uit, wat ondersteund werd door psychische rapportages. De rechtbank ging hier in mee en sprak de verdachte vrij. Het Hof zag echter voldoende aanleiding voor een veroordeling wegens training van terrorisme op grond van art. 134a Sr.

Het beoordelen van terrorismezaken

Nadat Bart den Hartigh in beeld heeft gebracht hoe het Openbaar Ministerie en de AIVD terrorisme aanpakken, is het woord aan Miranda Koevoets. Mevrouw Koevoets is strafrechter bij de Rechtbank Rotterdam. Zij is in 2001 afgestudeerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en gepromoveerd met een straf- en arbeidsrechtelijk proefschrift. Na ongeveer zeven jaar in de advocatuur te hebben gezeten, is zij nu al een tijd werkzaam bij de rechterlijke macht. Koevoets is gespecialiseerd in het strafrecht en, zoals zij dit zelf graag aanduidt, terrorismezaken.

Jihadisme is, zoals eerder benoemd door Den Hartigh, niet gelijk aan terrorisme door de positieve betekenis die moslims eraan toekennen. Ook is er geen gelijkheid tussen deze begrippen in de wet te vinden. Jihadisme is namelijk niet strafbaar op grond van art. 83, 83a en 83b Sr, maar terrorisme. Om deze reden, samengenomen met het feit dat rechters beoordelen en niet aanpakken, is Koevoets het niet volledig eens met de titel van het symposium. Voor haar gaat het in haar werk om de strafrechtelijke beoordeling van terroristen.

De terrorismezaken waar rechters zich het meest mee bezighouden, bestaan voornamelijk uit zaken met betrekking tot (potentiële) uitreizigers. Rechter zijnde is het belangrijk om te kijken naar de wet, rechtspraak, feitelijke en persoonlijke omstandigheden. Alle betrokkenen binnen een terrorismezaak moeten volgens Koevoets kennis hebben van de islamitische cultuur, omdat het van belang is om de context van de zaak zo goed mogelijk te kunnen begrijpen. Wat zijn de beweegredenen van de verdachte? Een voorbeeld uit de praktijk dat Koevoets aankaart, is de zogenaamde djinn. Het is voorgekomen dat een verdachte zich verweerde door te stellen dat een djinn bezit van hem nam en hem opdroeg uit te reizen. Een rechter, geeft Koevoets aan, moet deze overtuiging kunnen plaatsen.

De Arabische Lente van 2011 heeft geleid tot een grote strijd in Syrië. Honderden strijdgroepen zijn inmiddels bij de strijd betrokken en ook andere landen bemoeien zich ermee. Een aantal van de oppositiegroepen staat op de terreurlijst en/of wil een Islamitische Staat stichten, zoals de salafi jihadi-groeperingen (onder andere ISIS). In 2014 heeft ISIS het kalifaat uitgeroepen in bepaalde gebieden zoals Irak en Syrië. Dit heeft geleid tot een hoop uitreizigers. De moeilijke vraag die rechters dan tegenkomen is: bij welke groep gaan deze uitreizigers zich aansluiten? Indien het om ISIS gaat, is de zaak relatief eenvoudig. Echter wordt het complexer als het om andere groeperingen gaat, omdat hier niet veel informatie over is.

Rechter Koevoets ziet dat niet alle zogenaamde Syriëgangers om ideologische beweegredenen uitreizen. Voornamelijk vinden uitreizigers geen aansluiting in de maatschappij waarin zij zich tot op heden begeven en willen zij ergens bij horen.

Volgens Koevoets moet er meer onderzoek naar de effectiviteit van straffen en maatregelen van jihadisten komen. Binnen het strafrecht wordt er vergelding en preventie gewenst, maar de vraag wat er precies met deze mensen moet gebeuren en wat er gebeurt na het uitzitten van de straf, blijft spoken.

Het veiligheidsdenken

André Seebregts, tevens oud-student van de Erasmus Universiteit Rotterdam, is werkzaam bij en medeoprichter van het advocatenkantoor Seebregts & Saey. Dit kantoor is een van de twee kantoren in Nederland die jihadzaken behandelt. Seebregts wil de avond invulling geven door het perspectief van de verdediging te bespreken.

Bij het Openbaar Ministerie, maar ook in vonnissen en arresten, constateert Seebregts een toenemend ‘veiligheidsdenken’. Het veiligheidsdenken is een manier van redeneren, waarbij veiligheid boven alles wordt gesteld. Er wordt geen enkel risico genomen, dus misschien is ‘schijn’veiligheid meer op zijn plek. Het Openbaar Ministerie sprak eind 2015 de volgende woorden: “vroeger was het strafrecht ultimum remedium, maar nu is het onderdeel van optimum remedium bij jihadzaken”.

Een duidelijk voorbeeld van het veiligheidsdenken is het op voorhand vastzetten van verdachten bij jihadzaken. Het is mogelijk om verdachten bij terroristische misdrijven twintig dagen vast te zetten met weinig bewijs. Momenteel ligt er een wetsvoorstel om dit te verhogen naar vijftig dagen. De man op straat geeft dit wellicht een veilig gevoel, maar het begrip terrorisme is zo breed, dat dit niet in alle gevallen rechtvaardig is. Seebregts denkt dat er meer onschuldigen vastgezet worden, indien deze wijze gehandhaafd blijft. Terrorisme is namelijk niet alleen het maken van bommen op een zolderkamer, zoals veel mensen zich voorstellen. Het overmaken van geld naar Syrië (financiering van terrorisme) en positieve uitlatingen over terrorisme (aanzetting tot strijd) vallen ook onder het begrip. Deze overgrote groep wordt meegenomen in het sleepnet door het ruime begrip van terrorisme.

Het grote gevaar in terrorismezaken is de makkelijke redenatie “tuig kun je niet hard genoeg aanpakken”. Volgens Seebregts gaat het veiligheidsdenken onze naasten raken. Hij noemt het voorbeeld van een Nederlands neefje, 15 jaar oud, die uit nieuwgierigheid naar de glossy van IS kijkt (Dabiq). Dit lijkt onschuldig. Wat als hij 19 jaar en van Marokkaanse afkomst is? Moeten we hem voor alle zekerheid vastzetten en onderzoek doen?

Een derde illustratie van het veiligheidsdenken is het opleggen van tbs met voorwaarden aan Mohammed G. Deskundigen hadden de rechtbank aanbevolen om juist geen tbs op te leggen. Seebregts vindt de rol van deskundigen in dit soort zaken enorm van belang, zeker in de eerste paar zaken die werden aangedragen. In het begin was namelijk nog onbekend wat jihad precies betekende en wie de strijdige partijen vormden. Daar bestaan deskundigen voor. Hij geeft aan dat zowel hij als anderen inmiddels halfgeschoold zijn.

“TA-regime”

Veroordeelde terroristen komen terecht op de terroristenafdeling (TA). Indien veroordeelden familie op bezoek krijgen, is er altijd een bewaarder bij die zich met de gesprekken bemoeit wanneer hij dit nodig acht. Ook zit er meestal glas tussen de veroordeelde en zijn bezoekers. Indien er gewenst wordt zonder glas te spreken, moet de veroordeelde volledig gevisiteerd worden. Dit gebeurt ook als zij de penitentiaire inrichting verlaten, bijvoorbeeld voor een rechtszaak, en opnieuw wanneer zij terugkomen.

De omstandigheden binnen de terroristenafdeling leiden tot een groot saamhorigheidsgevoel tussen gedetineerden. Dit kan het effect hebben dat een veroordeelde radicaler uit de gevangenis komt dan hij erin ging. Derhalve werkt de terroristenafdeling averechts en heeft Seebregts zijn vraagtekens bij het resultaat van deze afdeling.

Officier Den Hartigh heeft ook kritische vraagtekens bij de terroristenafdeling, maar geeft direct aan dat het Openbaar Ministerie hier nauwelijks invloed op heeft. Bij het plaatsen van “gewone” veroordeelden wordt er gekeken naar het risicoprofiel en hoe een persoon psychisch in elkaar steekt. Het Openbaar Ministerie is bevoegd om de landelijke selectiefunctionaris, de persoon die beslist of een gedetineerde op de terroristenafdeling komt, adviezen op te leggen. Vaak geeft het Openbaar Ministerie een negatief advies. Helaas wordt dit eigenlijk altijd naast de landelijk selectiefunctionaris neergelegd. De terroristenafdeling is de enige afdeling in Nederland waarin alle verdachten van terroristische misdrijven terecht kunnen komen. Den Hartigh vervolgt door de gedachte hiervan uit te leggen: “Bij terrorismezaken hebben we te maken met een ander type criminelen, die uit een bepaalde ideologie misdrijven plegen. Zij zijn geneigd om anderen te overtuigen van hun ideologische gelijk.” Hij vindt het daarom een aardige gedachte dat anderen niet beïnvloed moeten kunnen worden via de afdeling. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wenst differentiatie op de terroristenafdeling, waarbij onderscheid gemaakt wordt door te kijken naar de individuele gevallen.

Uit Beijerse sluit af met een positief voorbeeld vanuit de terroristenafdeling. Een jonge gedetineerde heeft de afdeling veel prettiger ervaren dan de ‘gewone’ gevangenis. Hij heeft op de afdeling gestudeerd en is gederadicaliseerd.

Auteurs:
Terug naar boven